zaterdag 3 januari 2009

PLop

Mijn nichtje is een schat. Daar zal het niet aan liggen.
Ze zit nu in groep 5 en heeft een ‘achterstand’ van zo’n 11 maanden.
In groep 3 al kondigde mijn zus aan dat de letterherkenning niet zo lekker op gang kwam. En zoals het dan in de gemiddelde basisschool gaat, kregen zij en haar man te horen dat ze ‘rustig moesten afwachten’. Het zou wel loslopen.

Nou, dat deed het dus niet.
Inmiddels zijn we bijna twee jaar verder en in het eerste rapportgesprek (ook zoiets) kregen de ouders te horen dat hun kind voor remedial teaching aangemeld zal worden en groep 5 nog een keer over zal doen. Overigens was dit nieuws ook aan het kind zelf medegedeeld.
Goed voor je motivatie, denk ik dan. Eérst word je verteld dat je het best wel kan, beter je best moet doen (want het ligt altijd aan het kind, niet de omstandigheden), en dan ben je twee jaar ploeteren verder, krijg je in december al te horen dat je straks in juni van dit schooljaar niet over zal gaan.

“Ze is waarschijnlijk dyslectisch”, zei mijn zus. “Ze maakt van die omdraaiingen, spellend lezen, rekenen en spellen gaan ook niet lekker”.
En dan moet je weten dat mijn zus géén onderwijsprofessional is, maar gewoon een ouder die bij haar kind betrokken is.
Afgeserveerd werd ze, mijn zus. Door de leerkrachten van de school.
Er was niets aan de hand, volgens hen. Het kind stelde zich aan en bovendien was een dyslexieonderzoek veel te kostbaar. Er was budgettaire ruimte voor twee onderzoeken per jaar (op een totaal aantal kinderen van 200). En zij kwam er per definitie niet voor in aanmerking.
Bovendien, zo betoogde een van die onderwijsmammoeten aldaar, wat zou het opleveren, zo’n etiketje en dan weten dat ze dyslectisch is.

Ja, wat zou het opleveren. Wat zou het opleveren als je je eens zou verdiepen in hoe kinderen tot leren kunnen komen, zich vaardigheden, kennis en attitudes eigen maken die hen tot een volwaardig volwassendom brengen. Volgens mij is dat een kernopdracht van het werk dat je bent aangegaan als leerkracht. Een opdracht waaraan je je verbonden hebt met en door de werkgevers in je vak: die ouders met hun kinderen.

Want laten we eerlijk zijn, als ouders geen kinderen zouden hebben, zat je zonder werk.

dinsdag 30 december 2008

KOOB gaat door

Blog vrienden en (trouwe) lezers.
Kijk Op Onderwijs Blog zal vanaf februari niet helemaal verdwijnen, zoals eerder aangekondigd.
Het writers-block en de afweging van een nieuwe betrekking hebben na lang nadenken een ándere vorm gekregen.
(Tja, éérst denken, dan doen!!).

KOOB zal in een andere vorm doorgaan. Niet de wekelijkse artikeltjes zoals ik die immer gedaan heb, maar incidenteel een kritische blik op de ontwikkeling, een vraag, een kijkje in het onderwijs. Vanuit een ándere positie, dat wel.
Sinds december van dit jaar ben ik niet meer werkzaam als schoolleider en dus niet meer in staat vanuit de werkvloer de ontwikkelingen te bezien.

Door mijn nieuwe baan ben ik wél in staat vanuit een breder perspectief te kijken.
We zullen zien hoe het loopt.

Alvast veel leesplezier.


vandenBerg

zaterdag 13 december 2008

Citoficaat



Decennialang is onze overheid bezig om de lappendeken die onderwijs heet, bij elkaar te houden. Deregulering, autonomievergroting, met als gevolg lumpsum. Veranderende medezeggenschap, passend onderwijs en 1 zorgroute, afstemming en andere verantwoording. Niet de inspectie, maar de (overige) stakeholders dienen geïnformeerd te worden over het reilen en zeilen en de kwaliteit.

Daarvoor is samenwerking nodig, ofwel een investering in het leren van kinderen, professioneel onderwijzen, slimme verantwoording, relaties en netwerken (D.Hopkins/Hagens, 2007/2008).
En hoe nu samenwerking, systeemdenken, die relaties en netwerken een impuls te geven?
Lang is daar over nagedacht, miljoenen zijn er aan besteed, de ene goeroe (Fullan) volgt de andere op (vul zelf maar in) en niemand heeft dé sleutel tot het samenwerkingssucces weten te vinden.

Tot die ene zonnige vrijdagochtend in december. Een beleidsambtenaar van de staatssecretaris zit in de trein naar zijn werk en wordt gebeld door zijn 12-jarige zoon.
Hij heeft de resultaten van de oefentoetsen teruggekregen en blijkt een tegenvallende score te hebben behaald. De ambtenaar baalt hier vreselijk, hij had een glorieuze carrière voor zijn zoon in gedachten, welke afdwalen naar het vervolg. Hoe nu verder?

Ineens heeft hij de oplossing.
“Weet je wát we moeten doen!”, roept hij als hij de kantoortuin van het ministerie binnenstapt. “De Cito-eindtoets moet niet meer in februari, maar in juni van ieder schooljaar gedaan worden!”. Het idee belandt op het bureau van de staatssecretaris en deze springt juichend op. “Eureka!!”, scandeert ze door de gangen van het gebouw.
De ambtenaar wordt ontboden en kijkt verdwaasd naar het enthousiasme van de staatssecretaris, niet begrijpende welke gevolgen zijn briljante ingeving hebben zal.

Door een einde te maken aan de ‘citoficering’ van ons primair en voortgezet onderwijs worden scholen gedwongen echt na te gaan denken over de brug die tussen PO en VO geslagen moet worden. Niet meer de resultaten van de eindtoets, maar de werkelijke, al dan niet objectieve, opbrengsten gaan tellen. Scholen zullen met elkaar in gesprek gaan en afspreken hoe de doorgaande lijn van PO naar VO op maat gemaakt zal worden voor ieder kind. Scholen zullen ouders meer en meer betrekken in ontwikkelingsprognoses en voortgang. Ook zij zullen een stem krijgen in het vraaggestuurde onderwijsaanbod (?) en kunnen de kwaliteit beter in de gaten houden en hun kind er beter in kunnen begeleiden.

Kortom, de oplossing voor al onze onderwijsproblemen is gevonden! De eindtoets zal alleen nog maar gaan bevestigen wat we allang wisten, toetsen is meten en meteen weer vergeten.
Zou het echt zó eenvoudig zijn?

zaterdag 11 oktober 2008

Regie


Afgelopen week was het weer zover: gehuil in de koffiekamer. Eén van de leerkrachten zag het allemaal niet meer zitten, de groep was zó moeilijk en die ouders bleven maar zeuren. Al die zorgleerlingen, ál die handelingsplannen en ál dat overleg. Ze werd er doodmoe, boos, verdrietig en gefrustreerd van.
Deze frustratie werd rijkelijk gevoed door het luisterend oor en instemming van haar collega-leerkrachten.
“Je moet naar het management gaan, DIE moeten je helpen!!”, werd er geroepen. En een andere leerkracht kwam met betraand gezicht het kantoor van mij en mijn teamleider binnenlopen. “Ik denk nu toch écht dat één van jullie haar nu moeten komen helpen, hoor”, sprak ze met gebroken stem en vochtige ogen.

“Ik ga wel”, zei ik tegen de teamleider.
Terwijl ik de koffiekamer inliep zag ik het beeld opdoemen van een ineengedoken leerkracht, met haar hoofd in haar handen en een zestal collega’s die lijdzaam om haar heen stonden.
Mijn gedachten dwaalden af naar de tijd dat ik nog groepsleerkracht was en tijdens één van de surveillances op het speelplein gehaald werd door een kind. “Meester, kunt u snel even komen, Rita is gevallen en je moet haar snel komen helpen…”. Op de plek des onheils aangekomen stond een schare kinderen om Rita heen de rampspoed te aanschouwen.
“Waarom heeft niemand Rita even overeind geholpen?”, vroeg ik toen.

Deze vraag brandde nu ook op mijn lippen, maar liet hem achterwege.
Ik bevrijdde de betreffende leerkracht uit deze poel van medelijden en nodigde haar uit even elders met elkaar te praten.

Aangekomen in het klaslokaal begon ze uit te vallen over de zwakke groep, hoe dol ze werd van de vragen van ouders, hoe eenzaam ze zich voelde, want niemand, niemand (lees: management) wilde haar helpen. Ze strooide met voorbeelden en tuimelde in een vijver vol zelfbeklag en schuldvragen.

“Waarom heb je dit dan allemaal gedaan?”, vroeg ik haar. Ze zei: “Omdat dat moet en verwacht wordt”. ”Maar, wie verwacht dit en van wie moet dit dan?”.
Ze schetste het beeld van de begeleiders van de kinderen met speciale zorg, zo’n drie verschillende in totaal. Ouders die geregeld met vragen en verzoekjes kwamen, collega’s die net deden of ze van niks wisten, telefoontjes, e-mails, noem maar op.
“Het is zo’n moeilijke groep”, zuchtte ze.
“Nee, zei ik. De groep is niet moeilijk, de complexiteit ervan gaat over de grenzen van jouw competenties”. Want ik denk echt dat het zo werkt. Ons onderwijssysteem is erop gericht dat kinderen met een beperking, van deze beperking “genezen” kunnen worden. Maar als die beperking niet over gaat, wat kunnen we dan wel veranderen? Het systeem, lijkt mij.

“Wat me treft in je verhaal, is dat je worstelt met verwachtingen en dingen die moeten van iemand anders. Althans, dat denk je. Want je wilt het zo graag goed doen. Maar je mag ook nee zeggen, of nu even niet. Als je dat maar onderbouwt met argumenten waarom je iets wel of iets niet doet. Dán is er een basis om te praten en te handelen. Maar ja, dan moet je je grenzen wel kennen en kwetsbaar durven zijn. En dat laatste is levensgevaarlijk in ons vak. Want kwetsbaarheid wordt gezien als incompetent”.

Toch?


Neem regie.