
Afgelopen week was het weer zover: gehuil in de koffiekamer. Eén van de leerkrachten zag het allemaal niet meer zitten, de groep was zó moeilijk en die ouders bleven maar zeuren. Al die zorgleerlingen, ál die handelingsplannen en ál dat overleg. Ze werd er doodmoe, boos, verdrietig en gefrustreerd van.
Deze frustratie werd rijkelijk gevoed door het luisterend oor en instemming van haar collega-leerkrachten.
“Je moet naar het management gaan, DIE moeten je helpen!!”, werd er geroepen. En een andere leerkracht kwam met betraand gezicht het kantoor van mij en mijn teamleider binnenlopen. “Ik denk nu toch écht dat één van jullie haar nu moeten komen helpen, hoor”, sprak ze met gebroken stem en vochtige ogen.
“Ik ga wel”, zei ik tegen de teamleider.
Terwijl ik de koffiekamer inliep zag ik het beeld opdoemen van een ineengedoken leerkracht, met haar hoofd in haar handen en een zestal collega’s die lijdzaam om haar heen stonden.
Mijn gedachten dwaalden af naar de tijd dat ik nog groepsleerkracht was en tijdens één van de surveillances op het speelplein gehaald werd door een kind. “Meester, kunt u snel even komen, Rita is gevallen en je moet haar snel komen helpen…”. Op de plek des onheils aangekomen stond een schare kinderen om Rita heen de rampspoed te aanschouwen.
“Waarom heeft niemand Rita even overeind geholpen?”, vroeg ik toen.
Deze vraag brandde nu ook op mijn lippen, maar liet hem achterwege.
Ik bevrijdde de betreffende leerkracht uit deze poel van medelijden en nodigde haar uit even elders met elkaar te praten.
Aangekomen in het klaslokaal begon ze uit te vallen over de zwakke groep, hoe dol ze werd van de vragen van ouders, hoe eenzaam ze zich voelde, want niemand, niemand (lees: management) wilde haar helpen. Ze strooide met voorbeelden en tuimelde in een vijver vol zelfbeklag en schuldvragen.
“Waarom heb je dit dan allemaal gedaan?”, vroeg ik haar. Ze zei: “Omdat dat moet en verwacht wordt”. ”Maar, wie verwacht dit en van wie moet dit dan?”.
Ze schetste het beeld van de begeleiders van de kinderen met speciale zorg, zo’n drie verschillende in totaal. Ouders die geregeld met vragen en verzoekjes kwamen, collega’s die net deden of ze van niks wisten, telefoontjes, e-mails, noem maar op.
“Het is zo’n moeilijke groep”, zuchtte ze.
“Nee, zei ik. De groep is niet moeilijk, de complexiteit ervan gaat over de grenzen van jouw competenties”. Want ik denk echt dat het zo werkt. Ons onderwijssysteem is erop gericht dat kinderen met een beperking, van deze beperking “genezen” kunnen worden. Maar als die beperking niet over gaat, wat kunnen we dan wel veranderen? Het systeem, lijkt mij.
“Wat me treft in je verhaal, is dat je worstelt met verwachtingen en dingen die moeten van iemand anders. Althans, dat denk je. Want je wilt het zo graag goed doen. Maar je mag ook nee zeggen, of nu even niet. Als je dat maar onderbouwt met argumenten waarom je iets wel of iets niet doet. Dán is er een basis om te praten en te handelen. Maar ja, dan moet je je grenzen wel kennen en kwetsbaar durven zijn. En dat laatste is levensgevaarlijk in ons vak. Want kwetsbaarheid wordt gezien als incompetent”.
Toch?
Neem regie.
Deze frustratie werd rijkelijk gevoed door het luisterend oor en instemming van haar collega-leerkrachten.
“Je moet naar het management gaan, DIE moeten je helpen!!”, werd er geroepen. En een andere leerkracht kwam met betraand gezicht het kantoor van mij en mijn teamleider binnenlopen. “Ik denk nu toch écht dat één van jullie haar nu moeten komen helpen, hoor”, sprak ze met gebroken stem en vochtige ogen.
“Ik ga wel”, zei ik tegen de teamleider.
Terwijl ik de koffiekamer inliep zag ik het beeld opdoemen van een ineengedoken leerkracht, met haar hoofd in haar handen en een zestal collega’s die lijdzaam om haar heen stonden.
Mijn gedachten dwaalden af naar de tijd dat ik nog groepsleerkracht was en tijdens één van de surveillances op het speelplein gehaald werd door een kind. “Meester, kunt u snel even komen, Rita is gevallen en je moet haar snel komen helpen…”. Op de plek des onheils aangekomen stond een schare kinderen om Rita heen de rampspoed te aanschouwen.
“Waarom heeft niemand Rita even overeind geholpen?”, vroeg ik toen.
Deze vraag brandde nu ook op mijn lippen, maar liet hem achterwege.
Ik bevrijdde de betreffende leerkracht uit deze poel van medelijden en nodigde haar uit even elders met elkaar te praten.
Aangekomen in het klaslokaal begon ze uit te vallen over de zwakke groep, hoe dol ze werd van de vragen van ouders, hoe eenzaam ze zich voelde, want niemand, niemand (lees: management) wilde haar helpen. Ze strooide met voorbeelden en tuimelde in een vijver vol zelfbeklag en schuldvragen.
“Waarom heb je dit dan allemaal gedaan?”, vroeg ik haar. Ze zei: “Omdat dat moet en verwacht wordt”. ”Maar, wie verwacht dit en van wie moet dit dan?”.
Ze schetste het beeld van de begeleiders van de kinderen met speciale zorg, zo’n drie verschillende in totaal. Ouders die geregeld met vragen en verzoekjes kwamen, collega’s die net deden of ze van niks wisten, telefoontjes, e-mails, noem maar op.
“Het is zo’n moeilijke groep”, zuchtte ze.
“Nee, zei ik. De groep is niet moeilijk, de complexiteit ervan gaat over de grenzen van jouw competenties”. Want ik denk echt dat het zo werkt. Ons onderwijssysteem is erop gericht dat kinderen met een beperking, van deze beperking “genezen” kunnen worden. Maar als die beperking niet over gaat, wat kunnen we dan wel veranderen? Het systeem, lijkt mij.
“Wat me treft in je verhaal, is dat je worstelt met verwachtingen en dingen die moeten van iemand anders. Althans, dat denk je. Want je wilt het zo graag goed doen. Maar je mag ook nee zeggen, of nu even niet. Als je dat maar onderbouwt met argumenten waarom je iets wel of iets niet doet. Dán is er een basis om te praten en te handelen. Maar ja, dan moet je je grenzen wel kennen en kwetsbaar durven zijn. En dat laatste is levensgevaarlijk in ons vak. Want kwetsbaarheid wordt gezien als incompetent”.
Toch?
Neem regie.

6 reacties:
Zo.. Wat een waarheid schrijf je in dit stukje. Knap ook dat je dat zo tegenover betraande collega's onder woorden wist te brengen. Complimenten.
@ Kobus,
dank. fijn om te lezen.
ik zou zo graag willen dat de beroepsgroep, onze collega's, eens wat meer vertrouwen zou krijgen, zelfvertrouwen...... immers leiding geven aan een groep kan pas als je leiding kunt geven aan.... jezelf ....
De meeste juffen durven best te zeggen dat het ze niet lukt, binnen het team. Als de hele school laat weten dat je dat MAG zeggen, dan lucht dat op.
Maar naar buiten toe, naar de ouders en ambulant bedillers, is het volgens mij niet de juf die de grenzen aangeeft, maar de school. Zo komt de druk daar te liggen waar die hoort: niet bij de juf, maar bij de directie.
Ouders willen namelijk alleen het beste voor hun kind, en de ambulant begeleider kijkt soms niet zo scherp naar het geheel van de klas. Beiden hebben niet persé belang bij het heel houden van een juf en willen wel de maximum rek.
Het management is gericht op flinke rek en ontspannen juf, en geeft dus aan 'dit kunnen wij dit jaar in dit geval bieden'. Onderhandelingen over ruimer aanbod gaan niet via de juf. Want het is niet haar zorgaanbod.
Het zorgaanbod is van de school.
Dus school zorgt voor hulp als de juf nog / eventjes niet aan het zorgaanbod kan voldoen. Op die manier is het gemopper van de juf over te kort schietende hulp niet zo raar.
Elke,
Het zorgaanbod van de school=het zorgaanbod van de juf. Dus de juf moet haar mond open blijven doen en in gesprek blijven, met collega's, met directie EN ouders. De Juf geeft aan welke hulp zij nodig heeft, niet de directie.....
Laatst las ik een stukje over de beperktheid van de PCDA cyclus - mij uit het hart gegrepen. Ik had de SMART al gedegradeerd tot stadsauto.
Als we de druk opvoeren gaat het vroeger of later krakatouwen.
Dat begint met op je tenen lopen en eindigt met huildruppeltjes (zoals mijn 5 jarige zoon het zo treffend formuleerde).
als je doet wat je kan en je kunt wat je wilt dan doe je wat je wilt en zo voorkom je een hoop (ellende).
Lang leve het Rijnlandse model!
:-)
Een reactie plaatsen