zaterdag 8 maart 2008

Gebakken Lucht (2)



Wat is de overeenkomst tussen Geert Wilders en Johan Cruijff?
Ze hebben allebei een grote mond en trekken heel veel (media-)aandacht met….. Ja, met wát eigenlijk? Geert heeft een spraakmakende film gemaakt, zegt ‘íe en Johan heeft een radicaal herstelplan geschreven voor het noodlijdende Ajax. Zegt ‘íe. Niemand heeft beide hersenspinsels nog gezien en iedereen vindt er al wat van. De premier probeert al schade te herstellen voordat die aangebracht is en Johan geeft zijn opdracht terug lang voordat van Basten gestart is als nieuwe trainer.
Het lijkt het begin van een slechte mop.

De status van de actie wordt bepaald door de reactie van de omgeving. In de Koude Oorlog ging het net zo. We dachten dat de Sovjets wapens hadden, waarmee een dreiging veroorzaakt werd, omdat die dingen dingen zouden kunnen die onze dingen niet zouden kunnen. Dachten we. Kortom, het speelt zich af in onze hoofden en we vergeten te kijken naar wat er nu feitelijk gebeurt. We laten ons sturen door beelden van beelden en de suggestie is al voldoende.

Kinderen presteren slechter als wij het beeld hebben dat zij een slechte leerling zouden zijn, of we ze om een of andere reden niet zo mogen. Zeg tegen een leerkracht dat een hoogbegaafd kind een IQ van 100 heeft en diens houding zal drastisch wijzigen. “Dit is een drukke groep!”, of “Jantje is vandaag wel heel erg lastig”, zegt niets over de groep of Jantje, maar over diegene die het zegt. Op het moment dat het leesproces wat langzamer op gang komt, een leerling wat onrustiger is dan andere kinderen in diezelfde groep, worden al dyslexie onderzoeken opgestart en naar de huisarts verwezen voor wat Ritalin.
Als we menen iets te zien, dan is het ook zo. De realiteit is maakbaar.

Ik ken een school die al jaren achtereen de hoogste Cito eindscores binnen de regio behaalt. Uitgebreid staan de uitslagen in de schoolgidsen en verslagen. De school is een goede school, meent men dan. Het gevolg is dat leerkrachten zich een enorme status (nl. die van “de beste”) aan gaan meten en denken dat dit succes oneindig zal zijn.
Als nader onderzoek gedaan wordt, blijkt dat systematisch jaar in, jaar uit, steeds enkele kinderen (zo’n 10 %) uitgesloten werden van diezelfde eindtoets. Hun niveau bleek te laag en onder het alibi dat zij deze eindtoetsnormering niet zouden halen, werd er op ouders ingepraat om hen ervan te overtuigen dat deelname de stress en frustratie verhogen zou. Niet goed voor hun kind dus.
Zo werden feitelijke aantallen gemanipuleerd, misschien wel omdat zo fel begeerde hoge gemiddelde te behalen.
En ach, als ze tijdens de afname van de Eindtoets dan tóch maar iets langer door mogen werken dan de feitelijke eindtijd stelt, wie maalt daar dan om. Misschien halen ze dan één, of twee puntjes meer.
Alles voor de schone schijn, toch?

zaterdag 1 maart 2008

Gebakken Lucht

Ik heb eens gewerkt in een bedrijfje dat “kostenreducties” realiseerde voor andere bedrijven. De stelregel was dat iedere gulden (toen nog) die je kon besparen op je inkoop, er voor tien gulden méér verkocht moest worden om hetzelfde resultaat te behalen. Een rekensom die vrij eenvoudig lijkt en lekker bekt.
Wat we deden was simpel. We stelden aan de hand van inkoopfacturen van een bepaald onderdeel in de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld kantoorbenodigdheden, een offerte op en met dezelfde specificaties gingen we bij diverse leveranciers langs. Diegene met de laagste aanbieding werd de nieuwe leverancier.
Hierbij werd wel eens geschoven met aantallen en kwaliteit van de producten, maar dat mocht de commerciële pret niet drukken.
Waar we sterk in waren was niet zozeer het “product kostenreducties” ontwikkelen en uitvoeren, maar het verkopen van het idee. Het gevoel dat onze klanten kregen als wij het verhaal deden, de rekensommen maakten met de te verwachten besparingen die gewoon netto in de zak gestoken konden worden. Want kosten besparen wil iedereen wel, het is namelijk dírect beïnvloedbaar en jouw eigen gedrag is daarin bepalend. Dus iedere cent die je daarin besparen kan, is van jou.
Mooier kan het toch niet?

Als we dan eenmaal met zo’n project bezig waren, wisten wij al snel dat de marges van de leveranciers bijna te verwaarlozen waren. Al die markten en prijzen zitten gewoon heel dicht bij elkaar en de gemiddelde MKB’er let dan niet op de prijs, maar veel eerder op geografische afstand, kwaliteit én boven alles de relatie met de leverancier. Van échte drastische kostenreducties was vaak geen sprake, maar ging het om het realiseren van de gedachte en overtuiging dat onze klant bij de beste én de goedkoopste leverancier(s) aangesloten was. Eigenlijk verkochten we Tevredenheid.

In onze schoolorganisaties doen we hetzelfde, toch? Ook wij verkopen Tevredenheid. Tevredenheid bij de kinderen, de ouders, bij de mensen die erin werken, de instanties die ons controleren. En ook bij ons gaat het niet altijd om de inhoud, maar om de vorm. Want hoe meten we die inhoud dan? Hoe weten we eigenlijk wat kwaliteit is, of hoe Tevredenheid geïnterpreteerd moet worden?
Hans Sibbel, hij is cabaretier én afgestudeerd econoom, zei ooit eens “economie is emotie”, de markt van vraag en aanbod. Een prijs is niet objectief meetbaar, maar een gevoelswaarde. Schaarste is maar wat je er van maakt.
Onderwijs is ook emotie, we handelen in gevoel, spelen het uit, zetten het in, manipuleren het om onze doelen te behalen. Het spel van de politiek dobbelt naar binnen, posities worden ingenomen door vriendjes van vriendjes van vriendjes, waarbij het steeds meer de vraag wordt in hoeverre iemand ook werkelijk de competenties, vaardigheden en ambitie bezit.
Soms vind ik dat wel jammer. Jammer dat de inhoud wat uit het oog verloren wordt en de vorm de aandacht krijgt die het niet verdient.
Er wordt steeds meer lucht gebakken.

vrijdag 8 februari 2008

Hekmoeder

Lange tijd was ik van mening dat een schoolorganisatie “oudervrij” gedraaid moest kunnen worden. Wij zijn professionals en in staat om het onderwijs en alles wat daar bij hoort binnen onze autonomie te kunnen verzorgen.
Mijn zwager werkt bij een fabrikant van vrachtwagens en daar vragen ze ook niet of ik af en toe een weekendje kom helpen, toch?
Bovendien is het goedkoop, iedere keer als je een uitstapje wilt of kinderen leeskilometers moeten maken, dan roep je gewoon de hulp van ouders in. Zo zijn er knutselmoeders, verkeersbrigadiers, leeshulpvaders, schoffelopa’s (voor in de tuin), klassenouders, de sinterklaas- en kerstcommissies en noem ze maar op. Ouderhulp en ondersteuning is er volop en loopt als een rode draad door de school heen. Op de ene school wat meer dan op de andere, maar overal is er wel iets of iemand die aan deze vorm van ondersteuning doet. Gratis of voor de jaarlijkse boekenbon.

Het heeft voordelen en, uiteraard, nadelen. Het voordeel is dat je je activiteiten aantrekkelijker maken kunt, de lijntjes van en naar de oudergroep kort kunt houden, kortom, ouders zijn en voelen zich direct betrokken. Het nadeel is dat je als school een beetje dóór kunt slaan. Het ene uitstapje na het andere gaat organiseren, je een goede afweging moet maken bij wélke activiteiten je ondersteuning wenselijk vindt en je loopt de kans de professionele- en familiecultuur te verwarren.
Bovendien is het gevaar dat áls je sterk leunt op deze ondersteuning, je rekening moet houden dat deze zo maar weg kan vallen. Ouders hebben steeds minder tijd (en zin?) om een steentje bij te dragen en kunnen impliciet de verwachting hebben dat de school dezelfde dingen met minder mensen blijft doen.

Wat ál die vormen van ouderhulp gemeenschappelijk hebben is de vermeende laagdrempeligheid, de toegang tot het onderwijsbolwerk. En dáár kan het mis gaan. Dan wordt de rol van knutselmoeder wel eens verward met die van bestuurder of management. De zogenaamde “hekmoeder”.
Een “hekmoeder” is een ouder van een leerling die af en toe wel eens een klusje in de school verricht en dus van alles meemaakt in de dagelijkse gang van zaken. Vaak is zij (soms ook een hij) niet zonder reden deze klussen gaan doen, er kan een bepaalde mate van onvrede achter zitten dat haar heeft doen besluiten zich in de materie in te werken en er zo eens achter te komen wat er allemaal niet deugt aan de school en het onderwijs dat gegeven wordt.
En vanuit die gedachtegang en de ervaring die zij vervolgens opdoet, zal zij haar mening verkondigen. Niet op de plekken waar het eigenlijk hoort (leerkracht, directie), maar buiten bij het hek, tegen andere, eveneens ontevreden, ouders.

Onze overheid is overtuigd dat ouders als doel- en referentiegroep een stem moeten hebben in de ontwikkeling van het onderwijs. Ouderraden, ouderverenigingen en de nieuwe wetgeving op de medezeggenschap (WMS), geven enorm veel nieuwe kansen en mogelijkheden om ouderbetrokkenheid een plek te geven.
Af en toe is daar nog iets dubbels in. Aan de ene kant willen scholen graag gebruik blijven maken van de ondersteuning door ouders, aan de andere kant zie je ze nog geen werk maken van de nieuwe mogelijkheden die een WMS bijvoorbeeld biedt. Mogen ouders wél komen knutselen en voorlezen, maar volstaat het als er maar één rapportgesprek per jaar plaats blijft vinden. We kunnen de hulp van de hekmoeder goed gebruiken, maar luisteren naar haar mening doen we niet zo graag. Het is onomkeerbaar. In de projecten over publieke verantwoording als gevolg van onze toenemende beleidsvrijheden, komt het expliciet naar voren. Ouderbetrokkenheid betekent méér dan hulp bij de jaarlijkse excursie of het schoolkamp. En die verantwoording hoeft écht niet zo ingewikkeld te zijn. Doe eens gek en loop eens naar dat hek.

vrijdag 25 januari 2008

OORdeel


Gemoedelijk kwam hij naast mij staan, we keuvelden wat over sport en vrije tijdsbesteding, waarna hij mij uitnodigde om het kantoor binnen te stappen en of ik een kopje koffie wilde. Terwijl ik mijn jas uittrok liep hij naar de tafel, pakte een kopje en schonk de koffie erin, legde de suiker erbij en ging zitten.
Nadat ik mijn jas opgehangen had, plantte ik mijn tas tegen de muur en ging tegenover hem zitten. Op tafel stonden de koffiekan, onze kopjes en de suikerpot. Verder niets.
Van achter zijn stoel pakte hij een stapeltje A4-tjes, waar op de voorkant een geel stickervelletje zat. Daar stond mijn naam op.

“Zo, daar zitten we dan”, opende hij het gesprek. “Laten we eens samen naar je beoordeling kijken”.

Van de week kreeg ik dan mijn eerste, officiële beoordeling in het onderwijs. Uniek moment. Ik ben, zolang als ik in het onderwijs zit, nog nooit beoordeeld. Ik heb natuurlijk wel mijn coachings-, begeleidings-, voortgangs- en functioneringsggesprekken mogen hebben, maar nog nooit een beoordeling. Een verhaal van mijn baas naar mij toe, hoe zij (ze zijn met zijn tweeën) aankijken tegen mijn functioneren en vooral wat zíj ervan vinden. Goed of slecht dus. Aan de hand van de functie die ik bekleed, is er naast de taakomschrijving ook een functieomschrijving gemaakt, voorzien van competenties waarover je beschikken moet, wil je de functie naar behoren kunnen uitvoeren. Deze lijst van competenties is weer gekoppeld aan de functiewaarderingssystematiek, zodat ook binnen onze stichting er een formeel functiehuis ontstaan gaat met alle mogelijkheden (bijvoorbeeld beloning en demotie) van dien.
Het verhaal van mijn baas over mijn functioneren ging over allerlei zaken. Als eerste kwamen mijn “menskenmerken” aan de orde, mijn stijl van communiceren, interacteren met de omgeving en mijn rol in ons directeurenoverleg. Kortom: hoe profileer ik mij binnen de stichting. Vervolgens kwamen personeelsmanagement, resultaatgerichtheid, ondernemend leiderschap, situationeel coachen, kennis en expertise en noem maar op aan mij voorbij. Alles voorzien van een uitgebreide schriftelijke en mondelinge toelichting. Op álle vlakken van leiderschap en management ben ik als het ware tegen het licht gehouden en is de scan gemaakt. Want dat is het eigenlijk, een scan, een foto van het moment waarbij je terugblikt op geweest is, niet op wat nu is, laat staan op wat komen gaat.
En dat laatste gegeven vond ik best lastig.
In de dynamiek van de onderwijswereld, waarin ambitie steeds minder een nare bijsmaak begint te krijgen, is het zoeken naar de juiste toon en ritme. Ik zie dat dagelijks om me heen, leerkrachten en schoolleiders die letterlijk en figuurlijk aan het zoeken zijn naar een nieuwe identiteit in een nieuwe omgeving. Die op zoek zijn naar nieuwe waarden misschien wel, om de zingeving van hun werk te kunnen ondersteunen, want het verandert allemaal zo snel. Wat wordt er nu precies verwacht, wie moeten we waar op aanspreken, welke verantwoordelijkheden kan ik tegenkomen en hoe doe ik dat allemaal. Vragen die je op dit moment op élk niveau in de onderwijsorganisatie tegen zult komen.
Ik vind dat niet zo verwonderlijk, immers de hele samenleving is vól van dynamiek, alles lijkt te moeten veranderen, of zoals ik een Amerikaans politicus hoorde zeggen: “I just lóve change…!”. Zelfs een Zweedse meubelgigant durft het aan om in een reclamespotje de kijker attent te maken op de mogelijkheden van verandering van je interieur door alleen maar goed te kijken. Kijken naar wat je hebt en, doe eens gek, zét het eens op een andere plek!

Mijn beoordelingsgesprek was met een uur afgerond. We kletsten nog wat na, waarbij ik de indruk kreeg dat mijn baas mij gerust probeerde te stellen. Alsof hij een Salomonsoordeel uitgesproken had, waarvan hij vermoedde dat ik daardoor in razernij uit zou barsten. Niets van dat al. Ik begreep hun standpunt maar al te goed, sterker nog, deze feedback kon ik erg goed gebruiken, want de beste beoordelaar over mijn eigen ontwikkeling ben ikzelf altijd nog. Mits je maar in staat bent en blijft om te reflecteren op (effecten van) eigen gedrag. Kijk, je hoort mij niet zeggen dat ik het allemaal al doorheb en in de vingers, of dat ik zo’n geweldige schoolleider ben. Maar ik ken mezelf steeds beter, spreek dat ook uit en het maakt me kwetsbaar. In die kwetsbaarheid zoek ik dan ook vertrouwen, het vertrouwen om aan de slag te kunnen. En dan lukt werkelijk alles.

Wie heeft mijn kaas gepikt , Spencer Johnson (2004)